Overzicht

Naar het voortgezet onderwijs

Uw kind zit in groep 8 en gaat volgend schooljaar naar het voortgezet onderwijs. Een heel spannende stap! Hier vindt u informatie over scholen voor voortgezet (speciaal) onderwijs in de regio Schiedam, Vlaardingen, Maassluis en Maasland.

Klik op de betreffende school voor hun website of download hieronder de schoolkeuzegids voor het aanbod in onze regio.

Lentiz Groep
Openbare Scholengroep Vlaardingen Schiedam
Sint Jozefmavo
SG Spieringshoek
Ilex College
Ericaschool

Schoolkeuzegids

Zodra deze beschikbaar is kunt u hier uw digitale versie van de schoolkeuzegids downloaden. Deze gids wordt in de loop van het schooljaar ook uitgedeeld in groep 8 van de basisschool.

Welke vorm van onderwijs past het best bij uw kind?

In groep 8 geven de directeur en leraar van de basisschool een schooladvies. De prestaties, interesses en motivatie van uw kind, zoals zij het op school meemaken, vormen hiervoor de basis. Het schooladvies wordt u schriftelijk voor 1 maart meegedeeld. Daarnaast lichten de meeste scholen het advies vaak mondeling toe. In de download leerlingprofielen hieronder vindt u een uitgebreide beschrijving van de kenmerken en eigenschappen van een leerling passend bij een onderwijsniveau.<br /> Vanaf 1 februari kunt u een afspraak maken voor een kennismakingsgesprek op de school van uw voorkeur, via de website van de school. De inschrijfweek voor het voortgezet onderwijs is in 2018 van 12 t/m 16 maart.

Welke ondersteuning kan ik verwachten op een school?

Alle scholen voor voortgezet (speciaal) onderwijs in Schiedam, Vlaardingen, Maassluis en Maasland hebben met elkaar afgesproken welke ondersteuning zij de leerling bieden. Dit wordt basisondersteuning genoemd. Hieronder vindt u een beschrijving van de basisondersteuning zoals die is afgesproken in de regio. Hoe een school vorm geeft aan de basisondersteuning, staat beschreven in het schoolondersteuningsprofiel van de school zelf.

Schoolondersteuningsprofielen

  • Wat is een schoolondersteuningsprofiel?

    In een schoolondersteuningsprofiel moet elke school aangeven hoe zij de basisondersteuning heeft georganiseerd en welke ondersteuning zij kan bieden aan leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte. De schoolondersteuningsprofielen worden meegenomen in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband.

    Op deze pagina hebben we de schoolondersteuningsprofielen van de scholen in onze regio verzameld.

Heeft uw kind in het voortgezet onderwijs extra ondersteuning nodig?

Met de invoering van Passend Onderwijs, moet het Samenwerkingsverband Nieuwe Waterweg Noord voor de scholen voor voortgezet onderwijs in de regio Schiedam, Vlaardingen, Maassluis en Maasland bepalen of extra ondersteuning in het voortgezet onderwijs voor leerlingen noodzakelijk is (cluster 1 en 2 uitgezonderd). Dit wordt gedaan door het Steunpunt Onderwijs.

Er zijn verschillende soorten ondersteuning:

Leerwegondersteuning in het VMBO; voor leerlingen die extra begeleiding nodig hebben om een VMBO diploma te behalen. Leerlingen komen in aanmerking voor leerwegondersteuning als ze meer dan 25 % achterstand hebben op twee van de vakken Begrijpend Lezen, Rekenen, Spelling, Technisch Lezen. Waarbij in ieder geval bij Begrijpend Lezen of Rekenen een achterstand moet zijn.

Praktijkonderwijs; voor leerlingen die niet in staat zijn een VMBO diploma te halen. Leerlingen komen in aanmerking voor leerwegondersteuning als ze meer dan 50 % achterstand hebben op twee van de vakken Begrijpend Lezen, Rekenen, Spelling, Technisch Lezen. Waarbij in ieder geval bij Begrijpend Lezen of Rekenen een achterstand moet zijn. Ook hebben deze leerlingen een IQ lager dan 80.

Extra ondersteuning; voor leerlingen die extra begeleiding nodig hebben doordat ze gedragsproblemen hebben, psychiatrische problemen, langdurig ziek of zeer moeilijk lerend zijn. Iedere school biedt basisondersteuning, als een leerling meer onderwijsbehoeften heeft dan de basisondersteuning kan bieden, kan extra ondersteuning de leerling helpen om toch een diploma op een bij hem of haar passend niveau te halen. Met de basisschool, ouders en het samenwerkingsverband wordt in kaart gebracht welke extra onderwijsbehoeften de leerling nodig heeft en of die voldoende zijn om extra ondersteuning te krijgen.

Hoe krijgt je ondersteuning bij de overstap van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs?

Als de basisschool in groep 8 denkt dat een leerling in het voortgezet onderwijs extra ondersteuning nodig heeft, zal de basisschool dit bespreken met ouders. Ouders geven toestemming voor aanmelding. Vervolgens kan de leerling worden aangemeld bij het Steunpunt Onderwijs. De basisschool moet hiervoor gegevens van de leerling aan leveren. Zoals het onderwijskundig rapport , de resultaten van het Cito leerlingvolgsysteem, de eventuele extra onderwijsbehoeften en indien nodig de stimulerende en belemmerende factoren. Deze gegevens zullen worden bestudeerd door psychologen van het Steunpunt Onderwijs. Soms moeten extra onderzoeken worden gedaan, bijvoorbeeld intelligentieonderzoek of didactische onderzoek. De ondersteuning die deze leerlingen in het voortgezet onderwijs nodig hebben, zal worden beschreven. Als de leerling leerwegondersteuning of praktijkonderwijs nodig heeft, wordt dit besproken met de basisschool en een aantal vertegenwoordigers uit het voortgezet onderwijs. De basisschool bespreekt het vervolgens met ouders. Als de leerling extra ondersteuning nodig heeft, wordt dit besproken met ouder(s), de basisschool en eventueel de ambulant begeleider. Na deze bespreking zal de extra ondersteuning worden vastgesteld, zodat de school voor voortgezet onderwijs vanaf de start van het nieuwe schooljaar deze ondersteuning kan bieden.

Veelgestelde vragen bij dit onderwerp

  • Wat is intelligentie?

    Een van de belangrijkste grondleggers van het denken over intelligentie is David Wechsler. In 1944 beschreef hij intelligentie als “het vermogen om doelgericht te handelen, rationeel te denken en effectief met de omgeving om te gaan”. Anders gezegd: het gaat bij intelligentie om het vermogen van een kind/jongere om de wereld om hem heen te begrijpen en met die wereld om te gaan. Het doelgericht handelen duidt op de handelingen waarmee je een bepaald doel bereikt dat je jezelf eerst hebt gesteld. Het gaat ook om het doelgericht verwerken van informatie, het (onbewust) beoordelen welke informatie van belang is en welke informatie genegeerd kan worden.
    Intelligentie heeft dus te maken met de manier waarop een kind/jongere de informatie uit de buitenwereld kan verwerken. Het gaat om prikkels die via de zintuigen binnen komen: visuele informatie (zien) via de ogen, auditieve informatie (horen) via de oren en tactiele informatie (voelen) via de huid, enzovoort. Intelligentie heeft in globale zin betrekking op de manier waarop een persoon die informatie filtert, ordent, vergelijkt met al bekende informatie, omzet in schema’s en patronen, opslaat in het geheugen en tenslotte gebruikt om een reactie voor te bereiden en uit te voeren. Het gedrag dat wij van een kind zien is het eindresultaat van al die informatieverwerkingsprocessen. Je kunt ook zeggen dat iemand steeds meer begrip en inzicht gaat ontwikkelen voor die binnenkomende informatie en er steeds routinematiger mee om kan gaan.

    In dat informatieverwerkingsproces gebruikt een kind/jongere zijn cognitieve functies. Intelligentie kan gezien worden als een samenspel van verschillende domeinen van cognitief functioneren. Daar horen vooral het verbale begrip en inzicht bij, het domein van het visueel verwerken van informatie, de aandacht en het geheugen. Al die domeinen samen maken de reactie op de informatie uit de omgeving mogelijk.
    Het gedrag dat iemand kan laten zien en de cognitieve processen die daar achter liggen zijn het resultaat van de ontwikkeling van de hersenen. De kwaliteit van die ontwikkeling wordt in belangrijke mate bepaald door het samenspel van de genen (de erfelijke eigenschappen) en omgevingsfactoren. De omgeving kan stimulerend zijn, maar ook bedreigend. De ontwikkeling van de hersenen en dus ook van de intelligentie kan verstoord of bedreigd worden door bijvoorbeeld hersenziekten of trauma of door emotionele of fysieke verwaarlozing. Door factoren als voldoende rust, voeding en veiligheid, optimale stimulatie en uitdaging wordt de ontwikkeling van de intelligentie juist gunstig beïnvloed. De intelligentie die wij meten op een bepaald moment in de ontwikkeling van een kind is dus altijd een momentopname uit dat ontwikkelingsproces. Daarin komt de interactie tussen die aanleg en die omgevingsfactoren op dat moment tot uiting.
    Om de intelligentie te kunnen meten, zijn diverse tests ontwikkeld. Met deze tests kan het IQ, het Intelligentie Quotiënt, IQ, worden bepaald. Dit is een maat voor de vergelijking van de werkelijke leeftijd van een kind/jongere ten opzichte van de mentale leeftijd. Het is een getal waarmee het cognitief functioneren van een kind/jongere wordt vergeleken met leeftijdsgenoten. Het getal 100 geeft het gemiddelde aan, wat erop neerkomt dat meer dan de helft van de kinderen/jongeren (en volwassenen) op deze scores zit en ongeveer evenveel erboven en eronder. Omdat het altijd om een momentopname gaat en er altijd enige verstoring van presteren is door het toeval van het moment, wordt de score meestal weergegeven als liggend in een bepaalde ‘range’ en niet als een absoluut getal. Een gemiddeld IQ betekent een score tussen 90 en 110. Boven 110 is dan bovengemiddeld, boven 130 begaafd. Heeft een kind een IQ beneden de 90, dan spreken we van benedengemiddeld niveau, beneden 70 van zwakbegaafd.

    Staat intelligentie vast?
    Kan intelligentie veranderen tijdens de ontwikkeling? Ja, dat kan. Intelligentie bestaat voor een deel uit kennis die is aangeleerd. De woorden die je kent, de woorden die je gebruikt, de oefeningen die je hebt gehad op school, de kennis die je hebt van de wereld om je heen is afhankelijk van het aanbod dat je krijgt, het aanbod uit het onderwijs en het aanbod thuis. Dat noemen wij ‘crystallized intelligence’. Maar intelligentie bestaat ook uit het vermogen waarmee je met dat aanbod van thuis en school omgaat. Dat is wat wij ‘fluid intelligence’ noemen. Dus het vermogen om te redeneren, te ordenen en tot begrip en inzicht te komen. Dat actief redeneervermogen komt pas gedurende het opgroeien optimaal tot ontwikkeling en het is pas af als je volwassen bent. Dit betekent dat je
    op vierjarige leeftijd dus nog niet kunt voorspellen of een kind op negenjarige leeftijd ook een goed redeneervermogen zal hebben, want van vierjarigen wordt niet hetzelfde redeneervermogen gevraagd. De vuistregel is, hoe jonger het kind hoe meer er nog tijdens de groei en ontwikkeling kan veranderen in de intelligentie. Een intelligentieonderzoek is dus altijd een momentopname en het heeft maar een beperkte houdbaarheid. Je moet intelligentie dus af en toe opnieuw meten tijdens de ontwikkeling om te weten hoe het er voor staat, omdat verschillende functies zich pas tijdens het opgroeien ontwikkelen.

    Intelligentie en dyslexie
    De WISC-III en WNV zijn tests die individueel worden afgenomen. De kinderen/jongeren hoeven daarbij niet te lezen of te schrijven. In principe speelt de (mogelijke) dyslexie geen rol bij het bepalen van het IQ. Op latere leeftijd kan dyslexie echter wel een rol spelen omdat de jongere door zijn/haar dyslexie mogelijk minder informatie (die gelezen moet worden) tot zich heeft kunnen nemen en daardoor iets lager scoort bij het verbale gedeelte van de test.
    Bij de NIO moet wèl gelezen worden. Voor kinderen/jongeren met dyslexie is er een speciaal toetsboekje met grote letters. Zo nodig kan de tekst worden voorgelezen.

    Ten slotte
    IQ-getallen krijgen vaak pas betekenis als je hierin andere factoren meeneemt zoals de omstandigheden rondom de testafname, de observaties tijdens het onderzoek, schoolresultaten,
    stemming, medicatie, middelengebruik, etc. Neemt u bij vragen contact op met degene die bij uw zoon/dochter het onderzoek heeft uitgevoerd/zal gaan uitvoeren.

  • Welke intelligentieonderzoeken kunnen worden afgenomen?

    De NIO
    In groep 7 en 8 van de basisschool of in klas 1 en 2 van het voortgezet onderwijs wordt soms de NIO afgenomen.
    NIO:
    De NIO is een intelligentietest die in een groep wordt afgenomen. De kinderen/jongeren krijgen per testonderdeel klassikale instructie over de zes onderdelen van de NIO, waarna ze zelfstandig aan het werk gaan. Tussendoor is er gelegenheid tot het stellen van vragen.
    Binnen de NIO wordt gekeken naar drie factoren, nl.:

    • Verbaal Vermogen: het begrijpen van en redeneren met behulp van taal
    • Rekenkundig en redeneervermogen: het oplossen van (reken) problemen, waarbij taal in
      principe geen rol speelt
    • Ruimtelijk Inzicht: het inzicht in ruimtelijke structuren

    Op basis van de totale prestatie wordt een Totaal IQ bepaald. (Dit is niet het gemiddelde van de drie factoren). De factor Verbaal Vermogen komt in de uitslag terug als het Verbale IQ (VIQ). De tweede en derde factor (Rekenkundig en Redeneervermogen, Ruimtelijk Inzicht) worden samen de Symbolische Intelligentie (SIQ) genoemd.

    De WISC-III NL:
    De derde editie van de Wechsler Intelligence Scales for Children (WISC-III) is de meest gebruikte intelligentietest in Nederland. Deze individuele intelligentietest is bedoeld voor jongeren van 6 t/m 16 jaar. De WISC-III bestaat uit 13 testonderdelen (taken, opdrachten) die verschillende vaardigheden meten. Een deel van de testonderdelen heeft te maken met vaardigheden die met taal te maken hebben (verbale taken) en andere testonderdelen hebben te maken met meer handelingsgerichte opdrachten (‘doe-taken’), waarbij onder meer ruimtelijk inzicht en motoriek een rol spelen (performale taken). Op alle testonderdelen zijn de opgaven oplopend in moeilijkheidsgraad. Er wordt gekeken wat een jongere makkelijk afgaat en wanneer het te moeilijk wordt.

    In het onderzoeksverslag staan een aantal IQ scores:
    Het Totaal IQ (TIQ) gaat over (bijna) alle dingen die het kind/de jongere heeft gedaan tijdens het onderzoek. Het gaat dus eigenlijk over ‘alles’ wat hij/zij geleerd heeft en kan (nou ja, alles wat een beetje met school en leren te maken heeft). Het is een soort samenvatting van de hele test.
    Het Verbale IQ (VIQ) gaat over van alles wat met taal te maken heeft. Dus bijvoorbeeld of het kind/de jongere makkelijk dingen begrijpt en aan andere mensen iets duidelijk kan uitleggen. Maar ook of hij/zij van veel moeilijke woorden kan uitleggen wat de betekenis is en goed kan nadenken over dingen. Verder gaat dit IQ over wat het kind/de jongere allemaal al weet en of hij/zij makkelijk dingen kan onthouden (of een goed geheugen heeft). Ook zit er een onderdeel over rekenen in.
    Het Performale IQ (PIQ) gaat juist over alles wat niet met taal te maken heeft. Het gaat niet over wat het kind/de jongere allemaal weet, maar over wat hij/zij allemaal kan. Dus bijvoorbeeld of hij/zij goed kan puzzelen, logisch kan denken en snel dingen goed kan zien. En over of het kind/de jongere goed is in het maken van ‘plannen’ (hoe hij/zij iets kan aanpakken om tot een goede oplossing te komen). Ook gaat het over of hij/zij een bedacht plan makkelijk met de handen kan uitvoeren (de ‘motoriek’). Het performale IQ laat verder zien of hij/zij makkelijk overzicht heeft over wat er allemaal om hem/haar heen gebeurt.

  • Welk didactisch onderzoek wordt er gedaan?

    Het Drempelonderzoek
    Het Drempelonderzoek is een didactische toets die in groepsverband kan worden afgenomen bij leerlingen van groep 8 en leerlingen van klas 1 en 2 van het voortgezet onderwijs , waarbij gekeken wordt hoe goed een kind presteert bij
    – Technisch Lezen
    – Begrijpend Lezen
    – Spelling
    – Rekenen
    Er komt per vak een uitslag, waarbij het didactisch (schools) functioneren van een kind wordt vergeleken met leerlingen die een zelfde aantal maanden onderwijs hebben gevolgd. Dit geeft een score voor het leerrendement. Met het leerrendement wordt in procenten uitgedrukt, wat het leerproces bij déze leerling aan resultaat heeft opgeleverd. Hier geldt logischerwijs: een score van 100% betekent “op niveau”; een score kleiner dan 100% is een achterstand en een score groter dan 100% is een voorsprong.